INGEZONDEN Hollandse zuinigheid De locatie van luchthaven Schiphol berust op een wonderlijke combinatie van toeval en Hollandse zuinigheid. De Nederlandse defensie trok zich in de Eerste Wereldoorlog strategisch terug achter de Waterlinie, maar wilde vanuit Amsterdam toch nog zicht hebben op de vijandelijke bezetter aan de overzijde. Daar was een vliegveld voor nodig, het liefst niet te ver van de stad gelegen. Omdat het leger het Hembrugterrein bij Zaandam al in gebruik had, was er in 1916 behoefte aan een alternatief landingsterrein voor noodgevallen. De locatie mocht vooral niet te duur zijn, want niemand wist hoe lang de strijd nog zou duren en of het terrein noodzakelijk zou blijven. De zoektocht naar een voordelig stuk grasland concentreerde zich op een paar percelen in een hoek van de Haarlemmermeerpolder, bij Fort Schiphol. Drassig grasland Heel erg geschikt was het terrein niet. Bij oplevering bleek het nieuw aangelegde landingsterrein al meteen te klein. Bovendien was de grond zelfs voor de lichtgewicht vliegtuigen van de Luchtvaartafdeeling van het leger te drassig. Extra drainage was onontkoombaar, voordat het zin had houten loodsen te bouwen waarin een paar vliegtuigen tijdelijk konden worden gestald. Schiphol werd aanvankelijk niet voor meer gebruikt dan incidentele landingen. Toch werd het ook na 1918 in stand gehouden en in de jaren 20 zorgde de directeur-generaal van de Posterijen en Telegrafie ervoor dat de burgerluchtvaart er neerstreek. Deze eiste namelijk als tegenprestatie voor subsidiëring van het luchtvervoer dat de luchtvaart zich nabij Amsterdam zou concentreren, waar het Rijk over een vliegterrein kon beschikken. De net opgerichte KLM, die de voorkeur gaf aan het landingsterreintje Maaldrift bij Wassenaar, trok daarmee aan het kortste eind. Verbindingen blijven lang uit Hoe je op dat vliegterrein kwam, was wel een probleem. Vanuit Amsterdam voerde de almaar smaller wordende, deels onverharde weg langs twee tolpoorten en over diverse handbediende bruggen. Het duurde jaren voordat hier verandering in kwam, wat eerder te maken leek te hebben met toenemend toeristisch bezoek aan Schiphol – vliegtuigen kijken – dan met de infrastructurele behoeften van de luchthaven. Het aantal passagiers dat van Schiphol gebruikmaakte, bleef in de beginjaren van de burgerluchtvaart steken op gemiddeld minder dan tien personen per dag. Pas toen Amsterdam in 1927 de nominatie voor de Olympische Spelen van 1928 in de wacht sleepte en om prestigeredenen ook een functionerende gemeentelijke luchthaven wenste, werd de infrastructuur aangepakt. Schiphol kreeg een stationsgebouw en ook de bereikbaarheid over de weg werd verbeterd. Die bereikbaarheid over de weg bleef vervolgens decennialang centraal staan. Het Rijkswegenplan van 1927 voorzag weliswaar in een aansluiting van Schiphol op de Rijksweg AmsterdamDen Haag, maar in de praktijk liet een verbinding op zich wachten. Vliegen een elitezaak Het riep de vraag op of de intussen nationaal gepositioneerde luchthaven wel op de juiste plaats was gelegen. De KLM vond van niet en etaleerde een uitgesproken voorkeur voor alternatieven als Leiderdorp (1938) en Burgerveen (1946) als geschiktere locaties. De gemeente Amsterdam, de provincie en het Rijk dachten daar anders over. Zij waren niet van plan 1967 1967 NGINFRAmagazine 33 Pagina 32

Pagina 34

Heeft u een studiegids, digitaal bladeren of digitale PDF-en? Gebruik Online Touch: jaarverslag online bladerbaar op uw website plaatsen.

NGinfraMagazine 2 2016 Lees publicatie 207Home


You need flash player to view this online publication